|
In
Suriname heeft elke bevolkingsgroep zijn eigen taal, maar iedereen
spreekt Sranan Tongo (vroeger heette dat Negerengels) en de officiële
taal: Nederlands.
Met een Surinaamse inslag
natuurlijk; niet alleen het grappige accent, maar ook qua uitdrukkingen
en betekenissen. De laatste liggen vaak nèt naast de betekenis in
Nederland en het Surinaamse Nederlands lijkt in z’n algemeenheid meer
beeldend en recht-voor-z’n-raap.
We genieten ervan en we hebben de
leukste elementen op een rijtje gezet. |

Nèt een beetje anders. De meeste Surinamers
hebben geen bad maar een douche; toch zeggen ze altijd dat ze gaan
“baden”. Verf wordt in Suriname niet geroerd maar gedraaid, evenals de
nasi. Haar is niet lang maar groot. Ook de beleving van kleuren is
hier bijzonder. Oranje noemen ze rood en rood is hier fel roze.
Aubergine heet hier “boulanger”, lente-ui is “prei” en een limoen een
“lemmetje”. Bloem (meel) is “blom”, een eend een “doks”, een borrel heet
een “shot”, priklimonade “een soft” en vruchtensap heet kortweg “sap”.
De meeste planten met langwerpige bladeren die in een pol groeien,
worden gemakshalve “lelie” genoemd. “Bokkepoot” is ook een aanduiding
voor verschillende plantensoorten. Een braakliggend terrein heet een
“bloot perceel”. Een klein persoon wordt aangeduid als “die korte” en
een pleegkind is een “kweekje”.
In de winkel hoorde P een Creoolse dame met maat XXL, in haar hand een
topje maat L, aan de winkeljuf vragen: “Dit is de laatste maat toch? Heb
je niet breder?”
Surinamers “weten niet te zwemmen” en “velen van ze”
(ook zo’n typische uitdrukking) zijn bang voor water. Als
het niet diep is zeggen ze: “Het water is niet hoog.” Om wied te kappen
gebruik je een houwer, een imposant hakmes dat eruit ziet als een soort
machete.
Kroketje met mosterd besteld? Je krijgt
’m met piccalilly.

Onder (nee, niet op)
de markt verkopen ze o.a. harde kip (ouwe soepkip) en warme vis
(=gerookt). Als we een fietstochtje hebben gemaakt vragen ze of we leuk
hebben gewandeld. We rijden met de dinghy naar de boot en de boot staat
in de rivier.
Een flat is een bungalow en een balkon is een terras.
Als je
aan iemand vraagt hoe laat het is, dan kan het 10 rechts van 11 zijn of
kwart over half 2.
Tijdens de jaarwisseling worden er flink wat “bombels” en “bommen”
afgestoken; eigenlijk begint het al in november. Naast vuurwerk hebben
ze hier wel meer bommen, bijvoorbeeld de verfbom (lak in spuitbus) en de
gasbom. De laatste is natuurlijk een gasfles. En de leverancier van de
gasbommen heet: meneer Gasbommetje.

Heb je ergens een artikel besteld en is het nog niet
gearriveerd, dan is het “zeilende”.
Marineren is
“inleggen”
en tijdens de buikspieroefeningen in de fitness-salon zegt de gymjuf: “Je
moet je handen onder je zitplaats zetten en je benen wijd verspreiden.”
Het werkwoord “zetten” is (met veel andere woorden) multi-purpose. Er is ook “dat ding” (als de
spreker niet op de juiste naam kan komen en dat is nogal vaak) en
“rommels”: elk type ongerechtigheid zoals zand in de sla, onkruid in de
tuin, vervelende gebeurtenissen en onaangenaamheden in het algemeen, een
dronken man praat rommels, enz.

Ook het geschreven woord maakt ons vaak
aan het lachen. In de Via 2000 (advertentiekrantje) lazen we: Rani’s
Konstruktie maakt goed en goedkoop werk. Hekwerk, dievenijzers, poorten,
zonnekappen. Wij veranderen binnen 2 dagen uw scharnierpoort in een
schuifpoort. Verder maken wij alles wat andere bedrijven maken. [...]
In
Suriname is vreemdgaan een volstrekt normaal en geaccepteerd
verschijnsel en het wordt niet eens gezien als vreemdgaan. De gemiddelde
Surinaamse man heeft minstens één “buitenvrouw” en liefst meer (Marius
draagt onder de dames niet voor niets de bijnaam “Papa Lekker”); en niet
alleen de lusten, maar ook de financiële lasten worden gelijkelijk
verdeeld over alle buitenvrouwen. In het omgekeerde geval heet het
verschijnsel “buitenman”, alleen hoeven er in dat geval geen penningen
te worden afgedragen... Emancipatie??

Werkwoorden. Het werkwoord “zetten”
wordt overal voor gebruikt. Het betekent: doen, gebruiken, nemen,
toevoegen. “Eerst zet je een beetje ui in de pan, dan ga je dat een
beetje bakken” enz. Het werkwoord “gaan” komt ook in bijna elke zin
voor. “Ga jij blijven slapen?”
Als je in de stad bijvoorbeeld wilt
doorsteken van de Watermolenstraat naar de Waterkant, dan zeg je dat je
“boort” via de Krabbensteeg. Zo’n doorsteekje heet in het Sranan een
“boru pasi”, ziedaar de link. Een hond kan onder een hek boren, je kan
ook geboord zijn in je hoofd en verder heeft boren nog een andere
betekenis, jullie snappen het zeker wel.
Ook het woord “hengelen” heeft meerdere betekenissen. Surinamers
hengelen namelijk niet alleen op vis. De meeste vensters en balkons van
huizen in Paramaribo e.o. zijn voorzien van dievenijzers: traliewerken
die frisse lucht binnen laten, maar geen inbrekers. Toch is onze beste
handdoek van de waslijn gestolen. De dief weet waarschijnlijk niet wat
hij in handen heeft, want een handdoek van € 25,- heeft hij vast nog
nooit gezien. Hij is over een hoge muur (met glasscherven) geklommen en
heeft met een hengel de op de eerste verdieping achter de tralies
hangende handdoek opgevist.

Het werkwoord “zetten” hebben we al besproken. Er is nog een werkwoord
dat overal voor wordt gebruikt: “weghalen”. Ook ter inluiding van het
“zetten”, bijvoorbeeld toen er een motorsteun in onze auto werd
vervangen. Je haalt plantjes weg (wegsteken), evenals sinaasappels
(plukken).
Gooien doen ze ook veel. “Heeft u geen water gegooid?” vroeg de agent
aan P toen ze haar auto kwam laten keuren en de ruitensproeier net leeg
was (foei). “Als je dat hout gaat gooien, moet je het voor me laten
hoor.” (Weggooien en bewaren).
Op de scheepswerf waar we met de boot stonden, vroegen ze aan ons over
de zwerfhond die altijd in onze buurt was: “Ga je ’m brengen?”
(meenemen.)
Buurvrouw Lea blijft graag even bij ons haken. Plakken dus. Maar hier
betekent ons plakken weer lijmen/slijmen dus uiteindelijk is het
allemaal tamelijk ingewikkeld. Lea’s dochter komt regelmatig wat langer
haken en dan heet het “bloed zuigen”. Komt uit het Negerengels en klinkt
negatief, maar het betekent slechts: een beetje rondhangen.
De Technische Dienst van het nationale telefoonbedrijf komt “langs
lopen” als er een storing is.
Medicijnen slik je niet, die “drink” je. Ook als ze in tabletvorm zijn,
dus klaarblijkelijk wordt de slok wordt bedoeld waarmee je ze inneemt.
Vraag een buschauffeur je te waarschuwen wanneer je moet uitstappen en
hij zal zeggen: “U moet hier zakken hoor.”
Een Surinamer zegt “pissen” i.p.v. plassen. Op vele muren in de stad
staat dan ook gekalkt: “Verboden te pissen”. Met tot onze grote
hilariteit soms de toevoeging: “Ook voor honden”.Het werkwoord “slaan”. Een hond die is aangereden, is “geslagen” door
een auto. Maar wij “slaan” liever met de glazen: klinken. En als ze hier
slaan in de Nederlandse zin des woords, dan is het iemand “aftakelen”,
“klappen” of zelfs “kappen”, zoals Mboetoe zegt als hij niet met P durft
te dansen: “Willem gaat me kappen”. Maar ze noemen het ook vaak
“rammelen” en dat is wat in Nederland honden doen met een lege voerbak.

Gezien de hitte is het verzetten van lichamelijk werk in Suriname
zwaarder dan in Nederland. Een Surinamer zegt: “Het is forcerend.” Dat
betekent: het kost veel moeite, of het is heftig. Maar ja, je moet wat
als je niet wil pinaren (armoe lijden). Dan moet je hosselen
(bijverdienen).
Wil je iets gedaan krijgen, dan kun je natuurlijk ook
proberen iemand te “plakken”. Slijmen en lijmen dus.
DE kreet (of vraag) in verband met het WK Voetbal is: “Voor wie kraken
jullie?” Kraken betekent wedden. De term schijnt ook gebruikt te worden
bij klaverjassen of een vergelijkbaar kaartspel. Van voetbal weten we
niks, van kaarten ook niet dus ze kunnen ons alles wijsmaken. “Brazilië
toch,” zeggen we dan maar. Waarmee we automatisch bij de stopwoorden
belanden.

Stopwoorden. Het belangrijkste stopwoord is “toch”. Gebruikt aan het
einde van ongeveer elke zin, waarbij de toon dan enigszins omhoog gaat,
richting vraagzin. Analoog aan het in Nederland inmiddels een beetje
archaïsche “nietwaar”.
Met stip op 2 staat “dus dat.” Dit heeft meerdere betekenissen,
bijvoorbeeld “juist” en “precies”, maar ook wordt het gebruikt als
stopwoord ter afronding van een “tori”. Daarnaast fungeert het ook als
betekenisloos tussenwerpsel, bijvoorbeeld om even de gedachten te
verzamelen.
Nummer drie is “hoor”, gebruikt aan het eind van een zin. “U mag morgen
terugbellen. Hoor.” Ervoor wordt steevast een lange pauze in acht
genomen, waardoor het er vaak enigszins belerend uit komt. Het doel is
aan het reeds gezegde extra kracht bij te zetten.
Nieuwe woorden. Als je naar de stad gaat om wat lastigs gedaan te
krijgen, trek je het beste een kort rokje aan want dat helpt. Het helpt
eigenlijk een beetje te goed want je krijgt onmiddellijk allerlei
aanbiedingen: “Gudu zal ik vanmiddag voor je koken en ik kan je nog veel
meer verwennen”, “Hee schatje wil je met me trouwen”, “Zal ik je mijn
cell(gsm)nummer geven dan kun je me bellen als je me nodig hebt”, enz.
Dit heet “chanten” en dat is onder de jeugd het nieuwe woord voor het
oudste tijdverdrijf in Suriname: versieren. |
Beleefdheidsvormen. Surinamers zijn
veel beleefder dan Nederlanders (en zelfs Belgen). Op straat zeg je geen
“hallo” maar goedemorgen of goedemiddag. Het antwoord luidt overigens
vaak: “Jaja.” Beetje lui?
Kom je een bekende tegen, dan wordt bij de begroeting meteen
geïnformeerd naar hoe het met je gaat. Wel gezellig natuurlijk, maar in
telefoongesprekken moeten we daar nog steeds aan wennen. Wij zakelijke
Nederlanders zijn gewend met de deur in huis te vallen, terwijl
Surinamers een eindeloos intro nodig hebben en bovendien niet in staat
zijn om een gesprek te beëindigen.

Aanspreekvormen zijn hier in Suriname gebaseerd op de mate van respect
die je voor iemand dient te hebben. Kinderen zullen ons nooit bij onze
voornaam noemen, dus het is oom en tante; zoals wij in de jaren ’60 in
NL gewend waren. Volwassenen onder elkaar noemen de meer gerespecteerde
“meneer” en zo werd JW in het begin meneer Willem genoemd, en Petra
heette... mevrouw Willem. Maar gelukkig liet onze werkploeg zich al gauw
overhalen tot “mevrouw P” of gewoon Petra en inmiddels heet JW (met een
beetje pijn) Willem.
Toch kunnen Surinamers in onze ogen ook heel onbeleefd zijn (of lijken).
Toen alle bruggen waren gesloten, wisten automobilisten vaak niet hoe ze
in Domburg moesten komen. Vragen dus. Maar uitstappen en beleefd naar
ons toe komen, ho maar. Er wordt zwaar getoeterd en dan verwachten ze
van ons dat wij komen aansnellen terwijl zij gewoon in hun auto blijven
zitten.

Omkeringen, misverstanden en onduidelijkheden. Onze vriend Glenn
heeft een poosje in Nederland gewerkt en de eerste dag dat hij daar op
zijn werk verscheen bromde de portier tegen hem: “Morgen”. Waarop Glenn
direct rechtsomkeert maakte om de volgende dag terug te komen.
“Ja” betekent meer dan de helft van de tijd “nee” en “nee” is meestal
juist een bevestiging. En bij de Lucky Store proberen ze hun klanten
duidelijk te maken wanneer de aanbiedingen precies geldig zijn d.m.v.
een poster met de tekst: “De nieuwe maand begint voortaan altijd op de
10e van de maand.”
“Gierig” betekent gulzig en Boven-Suriname is het zuidelijke deel van
Suriname. Het lijkt onlogisch maar het heet zo omdat het bovenstrooms
ligt.

Suriname staat qua zelfmoordpercentage aan de wereldtop. Het zijn met
name de hindoestanen die verantwoordelijk zijn voor deze score.
Prestatiegericht volkje, en kunnen ze niet aan de eisen voldoen dan kan
het gebeuren dat ze dan maar een fles Gramaxon leegdrinken. Dus nu weten
jullie waarom dit onkruidverdelgingsmiddel de bijnaam “koeliecola”
draagt.
De benaming van verdelgingsmiddelen is hier sowieso nogal duister want
hier heet alle vergif “medicijn”. Heb je ergens houtluis, wormen, mieren
of bijen, dan “zet je medicijn”. Dat betekent dat je je gifspuit vult
met de smerigst denkbare zooi (zo ruikt het ook en het laat onuitwasbare
vlekken achter), dat spuit je op je plantjes (die zouden daar helemáál
geen last van hebben) en dan “zijn alle rommels weg”. Wij gebruiken het
ook in de tuin, maar als vergif en niet als medicijn. En met
neus/mondbescherming, want als je dat niet doet stik je nog dagenlang de
moord.

Hindoestanen hebben het in Suriname taaltechnisch nogal moeilijk, want
ze moeten in elk geval drie talen spreken: Nederlands, Hindi en Sranan
Tongo. Zo raakt er wel eens een woord in het vergeten boek. Het
vergeetboek dus. Mannelijk en vrouwelijk worden vaak door elkaar gehaald
en als ze een verhaal vertellen, letten we bij het begin goed op over
wie het gaat. Want een hij is een zij, hem is haar en haar is zijn en je
bent de draad zo kwijt. Als we zeggen dat we deze week naar tante Greta
gaan, kan het zijn dat er als volgt wordt gereageerd: “Zeg me wanneer je
daar gaat, want als je daar gaat ga ik sinaasappels voor je weghalen en
ga ik ze voor je laten.” Er wordt bedoeld: “Zeg me wanneer je naar
Paramaribo gaat, want als je bij tante Greta op bezoek gaat pluk ik
sinaasappels voor je en die geef ik je mee.” Dat vreemde gebruik van het
hulpwerkwoord “gaan” lijkt trouwens voort te komen uit de grammatica van
het Sranan Tongo.
Chinezen hebben het nog een graadje zwaarder, want die spreken naast
Chinees alleen Sranan Tongo (dat schijnen ze hier binnen twee maanden na
aankomst onder de knie te hebben, dus taalgevoel hebben ze wel). Maar
Nederlands spreken ze nauwelijks en als je een taal zo gebrekkig
spreekt, zoek je houvast in de logica; eigen aan de Chinees. Dit bleek
toen P bij onze lieve plaatselijke supermarkt-Chinese informeerde naar
haar man, die zojuist was teruggekomen van twee maanden de kinderen
bezoeken in China. “Wanneer is Ling teruggekomen? Zaterdag??” Haar
antwoord: “No no, zaternacht.”

Een bromelia is een bosananas en een lotusbloem: een tulp! Zoals bekend
doen kippen het goed in Suriname en zo is een leguaan een boomkip en een
kaaiman... een waterkip.
Een zwager heet een schoonbroer, een schoonzuster een zwageres. Een
mannenonderbroek is een jockey en een slipje een directoire. Een
schommelstoel is een “hobbelstoel”, de woonkamer heet “voorzaal” en dat
is een kamer die je niet veegt maar “bezemt”. Selderij heet heel logisch
soepgroente, een gier is (net zo logisch) een stinkvogel en een
kentekenbewijs een nummerbewijs, zoals P merkte bij de keuring van haar
Toyota Starlet. Die keuring verliep overigens niet helemaal zonder
taalproblemen, want op de commando’s “claxon, knipperlichten links,
rechts” volgden commando’s die P niet direct begreep omdat de
keuringsagent wat haar betreft naadloos was overgegaan op het Engels en
in wanhoop uiteindelijk begon te schreeuwen: “Bright! Bright!” (groot
licht). En: “Wipers!”
By the way, vraag je hier in een winkel naar een magnetron, dan
begrijpen ze absoluut niet dat je natuurlijk een microwave bedoelt. Een
mobiele telefoon is een cellulair, de lader een charger. Een volgring is
een washer, een krik een jack, een breekijzer een crewbar en een plastic
bekertje een cup. En Surinamers gaan met de “plane” naar Nederland.
De link met het Engels dateert uit de slaventijd en in het Sranan Tongo
(wat vroeger “Negerengels” heette) vind je er heel wat van terug. Zo
“praten Surinamers graag tori”, wat Sranan is voor verhaaltjes
vertellen.
De afstand tussen Domburg en Boxel is ongeveer 3 km, dus voor wie te
voet is is het een heel eind “futeren”. Komt regelrecht uit het Sranan
(futu = voet) dus uitspreken: foetéren.
Veel Engelse woorden zijn in de loop der jaren weer
vernederlandst, bijvoorbeeld de benaming voor een moeras: een zwamp, en
een eend: een doks. Maar ook het Nederlands heeft grote invloed.
Bijvoorbeeld van het woord “spanning” (strak) zijn een boel Sranan
uitdrukkingen afgeleid. “Spang” gezegd over een meisje betekent: alles
zit erop en eraan. Creoolse schommels lopen er graag sexy bij in
superstrakke kleding: “a crosi spang”. Het wordt ook minder letterlijk
toegepast, bijvoorbeeld “No spang” betekent: maak je niet druk. En “No
spang mi ede”, vermoei me niet.

Voorzetsels. Het voorzetsel-gebruik blijft merkwaardig. Groente
en fruit kopen we “onder” de markt, waarschijnlijk ingegeven door het
feit dat markten hier allemaal overdekt zijn. Vragen we Wensly wanneer
de balkonleggers worden gemonteerd, dan antwoordt hij: “Achter de
schaft.” Na de middag dus.
Een Surinamer zegt trouwens niet iets tegen je, maar spreekt tot je.
Dus als ze je opbellen en niet hun naam zeggen (dit is normaal), en je
wil vragen: Met wie spreek ik? dan zeg je kortweg: “Tot wie.”
Het voorzetsel “voor” lijkt hier te pas en te onpas te worden gebruikt:
“Je moet niet voor me liegen hoor.” (tegen)
“Ik ga visballetjes voor je sturen.” (naar/aan)
“Ik kom morgen pom voor je brengen.” (naar/aan)
“Ze hebben het verkocht voor hem.” (aan)
“… je fruit een ui en dan zet je een beetje suiker en een peper ervoor…”
(in)
“In de droge tijd zet je koeienmest voor je planten.” (op)
Ook andere voorzetsels worden op een andere manier gebruikt dan in
Nederland:
“Kom maar na twee uren.” (over)
“Je moet niet met me lachen.” (om)
“Mevrouw Ingrid heeft gisteren tot me gesproken.” (tegen)
“Hij heeft 100 dollar bij me genomen.” (van)
“Je moet niet boos met me worden.” (op)
“Vandaag zijn er bamboescheuten onder de markt.” (op)
“Ik kom tegen 10 uur.” (om)
En Mia blijft achter haar dochters oren zeuren tot ze weet wat ze
bedoelt. (aan)

Bijgeloof. Suriname zit vol met eigenaardige gebruiken en
bijgelovigheden. De Chinees is open van 0700 tot 2100, maar na 1800 uur
verkoopt hij geen spijkers. Brengt namelijk ongeluk. Hetzelfde geldt
voor petroleum, maar hij verkoopt wel benzine (als hij ook een
tankstation heeft) dus we begrijpen er niks van.
Je mag ook niet ’s avonds je huis vegen (“bezemen”) want dan veeg je al
je geluk naar buiten.
Als het onweert (“bliksemt”), zou de bamboe de volgende morgen allemaal
jonge scheuten hebben. (We hebben het gecontroleerd maar het is niet
waar.)
Tijdens het plukken van een eend (“doks”) mag je absoluut niet praten
want dan krijgt hij onmiddellijk nieuwe veren die je ook weer moet
plukken.
Geef je iemand een paar pepers, dan geef je ze niet in de hand maar je
legt ze ergens neer zodat de ander ze kan pakken, want anders krijg je
ruzie. |
Grappige uitdrukkingen. Ben is behoorlijk precies op allerlei dingen. Noem het smetvrees, want
hij heeft zelfs een fles water in zijn auto voor het geval hij iemand
een hand moet geven, want diegene zou wel eens een hond kunnen hebben
aangeraakt. Zijn vrouw Bea zegt: “Je weet, Ben is een beetje
stippelijk.”
Een ander mooi woord is hardlijvig en het betekent: constipatie. Als je
lijdt aan het tegenovergestelde, dan heb je last van losse buik. Het
overeenkomstige woord in Sranan Tongo is lusubere (u = oe) en wij vinden
dat wel een mooi woord voor diarree.
Een bijzonder woord waarvan we niet kunnen achterhalen waar het vandaan
komt, is “boelen”. Iemand die een beetje gek is (onaangepast), is
“geboeld in z’n hoofd”, maar dat is wel heel heftig uitgedrukt want
eigenlijk betekent boelen homoseksueel gedrag...

Tijdens onze afwezigheid “gooien alle buren een oogje” op ons huis
hoewel ze weten dat alle spullen goed zijn “opgesloten”. Tante Greta
vierde een bigi jari (70) en gelukkig regelden haar dochters de catering
want als gastvrouw en feestvarken had ze natuurlijk “de bonte mond”,
d.w.z. dat ze met iedereen moest babbelen. En Wensly was in ons huis aan
de slag met zijn handlangers. Dat betekent niet dat er een stelletje
criminelen bezig is, want dit woord voor assistent heeft in Suriname
geen negatieve bijbetekenis. We kwamen het ook tegen in een
personeelsadvertentie. “Gevraagd: halfwas timmerlui en handlangers.”

Onze Creoolse buurvrouw met de goud
besterde tand komt regelmatig langs en dist dan allerlei sappige
verhalen op. Bijvoorbeeld over Hindoestanen (Creolen en Hindoestanen
liggen elkaar helemaal niet) en om haar verontwaardiging kracht bij te
zetten zei ze: “Mijn haar is toch niet glad!”
Het Surinaamse taalgevoel begint ons al zo eigen te worden, dat we er
zelf ook aan meedoen. Analoog aan: “Ik weet toch waar je huis woont”,
zei P laatst spontaan in de auto: “Deze weg rijdt een andere kant op.”

De gezondheid van
JW’s vader is prima maar hij loopt niet echt meer als een kievit (wat
mag je verwachten van een 89-jarige?). Hier liep hij met een stok maar
in Nederland heeft hij ook een rollator. Mae wordt ook al een dagje
ouder en is helemaal in de ban van deze gadget. “Zo’n stootwagen is
handig toch, als je wil groente kopen enzo…”
Ook in het kader van JW’s ouders: buurvrouw Lea kon b;ijkbaar niet zo
gauw op het woord “acclimatiseren” komen, en vroeg: “Hebben jullie al
een beetje kunnen ontdooien?”
Surinamers leven meer buiten dan binnen en ze hebben dan ook standaard
een groot terras (wat in Suriname “balkon” heet) en een kleine
woonruimte binnenshuis. Toch heet de voorkamer hier… voorzaal. Bij ons
is dat de plek waar wij tot afgrijzen van velen ons Toyotaatje stallen
als we weg zijn.
De meeste mensen die in Suriname buiten de stad wonen, zoals wij, hebben
hun hek en voordeur open staan en er is geen bel. Maar Surinamers zijn
te beleefd om zomaar binnen te lopen. Hoor je “klop klop” roepen, dan
weet je dat je bezoek hebt. Maar “klop klop” is meestal overbodig omdat
de harige vierpotige bel uitmuntend functioneert. Behalve Boris maar die
is dan ook op noodlottige wijze aan zijn einde gekomen.

Surinamers gaan niet naar een verjaardag maar naar een “verjaring”
en eigenlijk lijkt dat laatste grammaticaal gezien correct.
Als je “grote ogen op iemand hebt” ben je jaloers.
Voor Mia is het gezichtsverlies als haar rijst een beetje te gaar is; ze
zegt: “Je hebt m’n gezicht laten vallen.” Ze geeft niet graag aanleiding
tot boosheid: “Anders ga je me schreeuwen.” In haar warung serveert ze
natuurlijk diverse bijgerechten. Die noemt ze (bijvoorbeeld) “kouseband
aan een kant”. We aten met haar in een warung van iemand anders en ze
vond het eten heel goed: “Het kan passeren.” In de auto eet ze niet
graag “anders begint haar maag te praten”.
“Voordat je denkt.” Een geliefde uitdrukking en het betekent: voor je
het weet.
“Zuiver.” Inderdaad, precies, ik ben het met je eens.
“Ik ben zo iemand...” Dit heeft niet speciaal een andere betekenis dan
die een NL-er eraan zou geven, maar het is wel een typisch Surinaamse
uitdrukking waarmee men wil aangeven hoe men in het leven staat.
Ze zeggen niet: Het is warm, maar ze zeggen: “De zon is fel.” (Inderdaad
is het dan 40°C en hoog tijd om je paraplu uit te klappen – de parasol
is hier onbekend, waarschijnlijk omdat het hier ook behoorlijk kan
regenen).
Ze zeggen niet: Ze praat hard, maar: “Die vrouw praat luid.”
Ze zeggen niet: Ik zal je (iets) laten zien, maar: “Ik ga je wijzen.”
Ze zeggen niet: Je moet me vertellen, maar: “Je moet me melden.”
Ze zeggen niet: Hoe heet het ook alweer, maar: “Hoe heet dat ding.”
Een “laterzaak” is een aangelegenheid van later zorg.
“Meisje!” Een uitroep waarmee Surinaamse dames onder elkaar hun gebabbel
doorspekken.
Ze kletsen
trouwens alles meteen door: “Hun mond loopt snel!”
Vraag een Nederlander hoe het gaat, en het standaard antwoord is:
“Druk.” Vraag je hetzelfde aan een Surinamer, dan is het antwoord
steevast: “Rustig.” Het grappige is dat ze met deze woorden allebei
aangeven dat het goed gaat.

Spreken en spellen. Surinamers praten een beetje grappig en vooral
Javanen kunnen er wat van. Ze spreken sommige woorden met extra nadruk
uit, zeker als ze een beetje verontwaardigd zijn (en dat zijn ze al
gauw). Als iemand ons iets vertelt over een brutale daad van een ander,
kunnen wij lauwtjes zeggen: Je meent het. Zij zeggen: “Je jókt! Zo
vrijpóstig, mijn gúnst!!!”
Hoewel Surinamers dus allerminst binnensmonds praten, verdwijnt toch
vaak de t aan het eind van een woord. Zo kopen ze “tweetak”olie bij de
“supermark” en stond er op de boodschappenlijst van onze elektriciën
“20x stopcontak”. Het heeft niets te maken met articuleren en ook niet
met het feit dat de op één na laatste letter van alle genoemde
voorbeelden een k is, want langs de weg zie je regelmatig bordjes: “Te
koop: kippenmes”
En als de t
niet wordt ingeslikt, wordt ie wel verwisseld met de medeklinker ervoor.
Analoog aan veel Nederlanders die spreken over de geps van een riem,
hebben ze hier o.a. gits en wordt meneer Twist vaak Twits genoemd.

Intonatie. Een Nederlander laat de toon aan het einde van een zin
dalen, maar in het Surinaamse Nederlands is het tegenovergestelde het
geval. Hierdoor klinkt elke neutrale mededeling altijd enigszins
verontwaardigd of verongelijkt. Ook klinkt de Surinaams Nederlandse
gesproken taal meer gebiedend. “Ik heb hem gezegd, luister, je moet niet
voor me jokken hoor.”
Belangrijk in
de gesproken taal is ook de tjoerie. Het is (overgenomen uit De
koningin van Paramaribo van Clark Accord): “een tjilpend geluid dat
gemaakt wordt door de lippen te stulpen en de lucht naar binnen te
zuigen; gebaar van afkeuring”. Mila is er een ster in en ze is – op een
grappige manier - doorlopend verontwaardigd of geeft blijk van haar
minachting: “Fsssssjjjj.”

Grammatica. Waar onze achterbuurman, de XTC-smokkelaar nu precies
zit, wilde Oma graag weten. In Miami in de gevangenis dus. Oma’s
reactie: “O, ze zit in die hok!” Veel Surinamers hebben moeite met het
persoonlijk voornaamwoord maar in woordvolgorde zijn ze ook niet zo
sterk. Het is met name een probleem van plaatsing van de persoonsvorm.
Een voorbeeld: Oma vindt haar hond Witje nu en dan erg hinderlijk en
zegt: “Daarom
die hond mag niet in die huis hoor.”
Waarmee we automatisch aankomen bij de lidwoorden, want “die” wordt vaak
gebruikt als bepaald lidwoord. Het gekke is dat het dan niet de
betekenis heeft van “de”, maar meer van het onbepaalde lidwoord “een”.
Opvallend is ook dat Oma bijvoeglijk naamwoorden die voorafgaan aan
onzijdige zelfstandig naamwoorden en in het Nederlands dus niet worden
verbogen, wèl verbuigt. “Diandra is een mooie meisje!”

Creatieve
samenstellingen.
Schaduwgaas is gaas VOOR schaduw en voor de noodzakelijke ventilatie
hebben we hier regenstenen: dit zijn opengewerkte stenen TEGEN de regen.
Schildpadstenen zijn niet tegen schildpadden maar hebben de vorm van een
schildpad. Een vleermuizenstrook is een polyethyleen reep die aan 1 kant
de vorm heeft van een dak(golf)plaat en dient ter voorkoming van
binnenvliegende vleermuizen. Een pol beschuitgras heeft het model van
een beschuit, zegt Marius; een beetje creativiteit (of in zijn geval:
borgoe-cola) is waarschijnlijk bevorderlijk voor het
voorstellingsvermogen.
Kooispijkers zijn mini-spijkertjes die worden toegepast bij de
constructie van vogelkooitjes. Deze kooitjes gaan als warme broodjes
want een Surinamer laat geen hond uit, maar loopt wel vol trots rond met
een vogelkooitje met kwinkelerend beest erin; hoe kleiner hoe duurder.
In Paramaribo worden elke zondag zangwedstrijden georganiseerd waarbij
veel geld omgaat...
Een “slaapjurk” is een nachthemd en een koffiemama is geen goedlachse dikke Creoolse dame die je koffie
komt brengen, maar een boom die in vroeger tijden op de plantages werd
ingezet om schaduw te geven aan de koffiestruiken.
Een erfwoning is niet een huis uit een erfenis maar een eenvoudig
houten huisje dat wat meer achteraf op een perceel (erf) staat; met name
vroeger voor bedienend personeel.
Last van muggen? Dan steek je een muskietenkaars aan; maar hij
verspreidt geen licht want het is wierook.
 |