|
We waren uitgenodigd door
onze vriend Dennis Wortel om mee het bos in te gaan. Dennis woont in La
Rencontre (de voormalige plantage naast Domburg), aan de rivier en met
uitzicht op Miep en we mochten mee tijdens één van z’n maandelijkse
vierdaagse bezoekjes aan zijn houtconcessie in het binnenland.
Dennis is een geboren ondernemer. Aanvankelijk was hij visser met
verschillende boten en wat mannetjes in dienst, nu heeft hij een
houtconcessie aan de Surinamerivier. Een eindje voorbij (“boven”)
Carolina, dat nog per 4WD bereikbaar is, en het laatste stuk gingen we
met de boot.
Oude liefde roest niet en als Dennis in het binnenland is grijpt hij
zijn kans en vist ’s morgens en ’s avonds nog zo’n 75 kg aan pakoesi’s
en pireng (piranha’s) bij elkaar. Verse vis uit het binnenland is zeker
3x zo duur als (ingevroren) zeevis, dus dat geeft een leuk extra
zakcentje. Het net wordt uitgevierd richting een zandbank want daar,
onder de begroeiing, zit de vis. Een paar klappen met de peddel en de
vissen “rennen” naar dieper water – en eindigen in Dennis’ net. Zo
simpel is het. Lijkt het. Want met de pirengvangst moet je goed weten
wat je doet want die beesten (de grote wegen wel een kilo) zijn
verschrikkelijk agressief! Dat wisten we al maar nu zagen we het met
eigen ogen. Een enorm gespartel, en eenmaal aan boord zetten ze hun
scherpe tanden in het eerste het beste wat ze tegenkomen: het potdeksel
van de boot als ze jouzelf niet te pakken kunnen nemen, terwijl Dennis
of Kenneth de knuppel heffen om ze een dodelijke mep te geven.
Een houtconcessie run je niet zomaar. Dennis heeft te maken met allerlei
controlerende instanties aan wie hij geld moet afdragen: de inheemsen,
die de “eigenaren” zijn van het bos en die $6 per kuub vangen. En de
overheid, die nog eens $20 per kuub toucheert. Er komen dus regelmatig
controleurs op de concessie, zowel gemachtigden van de gemeenschap als
medewerkers van Bosbeheer. Allen gewapend met meetlint, labels en
nietpistolen zodat er letterlijk geen boom ongemerkt de deur uitgaat.
Bosbeheer is in Suriname een opmerkelijk serieuze zaak. De Stichting
Bosbeheer ziet scherp toe op duurzaam kappen, wat natuurlijk heel wat
regels oplevert.
Veel houtconcessies voeren
de stammen ongezaagd af, maar ter plaatse zagen is economischer want het
afval blijft in het bos. Bovendien pakt Dennis op deze manier ook de
marge van de zaagmolen. Aan de andere kant is het bedrijfsmatig
ingewikkelder en vergt het meer personeel en grotere investeringen.
|
De verplaatsbare zaagmolen van Dennis is een ingenieus apparaat dat
stukken stam van 7 meter lengte aankan. Dennis heeft zeven mannen
rondlopen. Drie regelen ter plekke het zagen: eentje zaagt de stammen op
lengte, sleept ze aan en plaatst ze onder de zaag (met behulp van een
bosbouwmachine) en twee mannen zagen het “blok” in planken in
verschillende maten. De rest selecteert in het bos de juiste bomen en
zaagt ze om. Makkelijker gezegd dan gedaan en zeker in de regentijd want
dan verandert het opengekapte terrein in een ommezien in een enorme
blubberzooi. Een wandeling met zo’n zware kettingzaag op je schouder, de
bomen uitmeten (want je mag niet binnen een straal van 10 meter een
andere boom kappen), omhalen, fatsoeneren, de stronken voorzien van een
label dat correspondeert met dat op de stam, de stammen op een hoop
leggen... Zwaar werk waar zwaar gereedschap voor nodig is. Niet alleen
de dure zaagmachine maar ook twee zware bosbouwmachines die de stammen
door de modder duwen en trekken.
De mannen zijn van alle markten thuis. Ze zijn beresterk, sjouwen de
zwaarste lasten alsof het niets is en werken de hele dag in de felle
zon. Ze zagen acht blokken per dag en sjouwen met hout, maar verrichten
ook technische arbeid zoals reparatie en onderhoud (zo’n bosbouwmachine
breng je niet even naar de stad voor een servicebeurt), banden van de
bosbouwmachines verwisselen (anderhalve meter doorsnee), een bruggetje
bouwen en bootonderhoud: boot op de kant (een bosbouwmachine als
trekker), omkeren , breeuwen, enz. En tussendoor grijpen ze een van de
jachtgeweren als zich een pingo (bosvarken) of een leguaan vertoont.
Leguaan is erg gewild bij Javanen. Na het schot bleef zij in het
gebladerte hangen (jaja: met eieren!) maar Stanley (Javaan dus) klom als
een aap 20 meter naar boven en het arme dier ging meteen de pan in.
Voordat al dit werk kan worden uitgevoerd, is er eerst een stuk land
opengekapt en zijn er paden gemaakt waarlangs de stammen kunnen worden
afgevoerd, alles volgens door Stichting Bosbeheer uitgevaardigde regels.
Toch lijkt de kaalslag enorm , al schijnt de schade na vijf jaar niet
meer zichtbaar te zijn. Voorts is er een kamp gebouwd. Een kamp is een
van houten palen gebouwde hut met een dekzeil eroverheen. Hier wonen de
mannen tijdens het werk. Steeds drie weken, en dan mogen ze eventjes
terug naar de stad. Er is natuurlijk geen openbaar vervoer in het
oerwoud dus ook dit wordt door Dennis geregeld. En niet alleen de mensen
moeten worden vervoerd, maar ook de aanvoer van alle materialen,
onderdelen, brandstof (de zaagmachine verstookt 20 liter diesel per dag
en wat te denken van die enorme bosbouwmachines), eten enz. Drinkwater
zou een hele slok zijn, maar dat halen ze gewoon uit de rivier. Het
gezaagde hout wordt afgevoerd met een gehuurd ponton. |
We hebben wel meer kampjes
gezien in het bos maar het kamp van Dennis steekt met kop en schouders boven
alle andere uit. Er is zelfs een gastenverblijf, al sliepen wij in het
hoofdkamp want de vloer van het logeerkamp was nog niet zo mooi aangestampt,
en een prachtig toilet: een gat van 2,5 m diep met een schutting eromheen en
een troon erbovenop; in de omgeving van Domburg zien we veelal minder fraaie
exemplaren.
De mannen verbruiken veel energie dus er wordt drie keer per dag gekookt. En
dan wel het volle-borden-plan. Ontbijt, lunch en diner bestaan uit rijst met
vis (door Dennis gevangen) of kip (natuurlijk) en groente, alles op z’n
Surinaams dus met een pikant sausje. Niks voor JW: die hield het ’s morgens
liever op een zelf meegebrachte krentenbol.
Tijdens het werk maar ook daarbuiten is het saamhorigheidsgevoel groot.
Omdat we met z’n allen in één ruimte leefden, konden we de sfeer goed
proeven. Het gebabbel voor en tijdens het ontbijt (Surinaamse mannen kunnen
verschrikkelijke kletskousen zijn; ze houden van “tori praten”), de grappen
tijdens het werk, zingen (André Hazes komt regelmatig voorbij), en de
bijnamen waarmee ze elkaar onderling aanspreken: Langa, Biga, Blaka, de
laatste met genegenheid afgekort tot Blak. Echt Surinaams was het gevoel dat
we kregen dat we echt welkom waren.
Hout is zelfs in Suriname duur (in het algemeen is een houten huis duurder
dan een huis van steen) en dat begrijpen we nu ook als je hebt gezien
hoeveel investeringen en arbeid er nodig zijn om een stapeltje planken te
zagen en bij de consument af te leveren.
Kortom: ben je slim en handig en beschik je over een fors
investeringskapitaal, dan valt er veel geld te verdienen in hout en kun je
je ook pleziertjes permitteren die voor de gewone man onbereikbaar zijn.
Dennis heeft bijvoorbeeld een voetbalvereniging; dat schijnt zo te horen in
Suriname als je een big shot bent. Twee teams maar liefst: eerste klasse en
veteranen... en JW mag ook meespelen...!!! Dus Dennis is niet alleen visser
en bosbouwer, maar ook voorzitter, sponsor en voetbalcoach van zijn eigen
ploeg: Arsenal.
Hij is er weer: de Surinaamse Taalrubriek.
We zagen het tijdens de renovatie van ons huis en ook nu weer: een Surinamer
“maakt moeite”. Zeker als ie een boomkip in het vizier heeft. Een leguaan
dus. Zoals bekend doen kippen het goed in Suriname en zo is een kaaiman...
een waterkip. Die zagen we trouwens ook bij de houtconcessie van Dennis.
Deze ligt zoals gezegd een eindje voorbij (“boven”) Carolina. Boven-Suriname
is het zuidelijke deel van Suriname. Het lijkt onlogisch maar het heet zo
omdat het bovenstrooms ligt. |