|
In São Luís werden we verwacht bij Nelly en Luc (de Fransen die we in
Belém hadden ontmoet) en “hun” taxichauffeur pikte ons op van het
vliegveld. Dus deze keer
geen hotel of pousada maar eindelijk weer eens op een boot. Nou ja,
boot... “Afrodite” is een hagelnieuwe Dean catamaran (Zuid-Afrika) van
45 voet met alles erop en eraan, met als toppunt een professionele
ijsblokjesmachine. De gastenslaapkamer (waarvan ze er twee hebben) een
balzaal en de gastenbadkamer leek te zijn weggelopen uit een
designwinkel.
Nelly en Luc ontvingen ons
met een verrukkelijke salade, garnalen en zelfgemaakte
knoflookmayonaise. Tijdelijk bemanningslid Ignacio, een Spanjaard, vulde
het culinaire genoegen ’s avonds aan met een authentieke tortilla en
leerde ons meteen de fijne kneepjes van de bereiding. Een keur aan
tapas, caipirinha’s, pasta, kazen, magnifiek.
Net als onze helaas te jong overleden vriend Henk Kotter is Luc gezegend
met veel muzikaal-emotioneel gevoel en een goede stem en onder eigen
accordeonbegeleiding bracht hij Bretonse zeemansliederen ten gehore. De
miezerige regen was hierbij wel toepasselijk. |
De volgende dag gingen we met z’n allen per ferry naar Alcantara, een
pittoresk en historisch dorp op een eiland vlakbij. Helaas regende het
nogal, goede reden om uitgebreid te lunchen. Het vaarwater bij São Luís
munt niet uit in diepgang en voordat de ferry de vaargeul naar Alcantara
te pakken had, hobbelden we wel een uur over een paar zandbanken. Waarbij de juiste vaarroute werd
gevonden m.b.v. een peilstok.
São Luís is in 1612
gesticht door de Fransen en de Franse invloed is nog steeds zichtbaar.
Een schitterend stadscentrum ,
een sfeervolle oude markt , antieke azulejo-gevels , steile straten, veel kunstwinkels , straatventers , charmant en
gezellig. Het vervelende was wel dat we sinds de beroving in Salvador en
wetende dat Nelly een dag voor onze komst onder bedreiging met een mes
was beroofd, doorlopend op onze hoede waren. Het is jammer dat de
criminaliteit van 5% van de Brasileiros afstraalt op al die hartelijke
mensen die we óók zien, en het stemt treurig. De caipirinha heeft veel
goed te maken.
|
Vanuit São Luís naar Belém is
het 550 km ofwel 12 uur met de bus. Slechte weg dus. De terugkeer in ons
hotel in Belém voelde al een beetje als thuiskomen. Gesproken over
berovingen vond de eigenaar van ons stamrestaurant La Fiesta dat we in Belém
gewoon geluk hadden gehad. We spraken daar ook met een Franse entrepeneur in
hout, die ’s avonds ongeveer niet naar huis durft...
Brazilië is qua criminaliteit geen beste plek en één ding weten we zeker:
als we volgende keer dit overigens heerlijke land bezoeken, mijden we de
grote steden.
Onze aankomst in Suriname was ook nog een beetje bijzonder. Onze
medepassagiers (Brasileiros) hadden niks in de gaten maar wij zagen het
onmiddellijk: een spiksplinternieuwe aankomsthal! Ingepakt in marmer, een
waanzinnige transportband, een plaatje. De officials liepen zenuwachtig door
elkaar, sommigen gewapend met fototoestellen en onze vriend Gordon (hoofd
Security) vertelde dat ze die dag proefdraaiden en dat onze vlucht de
primeur had. We moesten wel 10x op de foto, denkelijk omdat we zo
enthousiast reageerden en misschien ook wel vanwege JW’s klep met de tekst
SURINAME. |