|
Wie niet werkt kan ook niet met vakantie.
Dus we gingen flink aan de slag op de benedenverdieping: nette kozijnen
en veel schilderwerk. Het gereedschapshok is nu geďncorporeerd in de
garage en daarmee hebben we voor de logés nu drie (slaap)kamers
beschikbaar plus een eigen badkamer en terras.
De winter komen we ook met gemak door want onze diepvriezer zit tjokvol
geblancheerde broodvruchten. De buren hebben namelijk een enorme
broodboom en zelf zijn ze de komende 13 jaar niet in staat om ze te
oogsten want ze zitten achter tralies in Miami wegens drugssmokkel. Die
broodvruchten wegen ruim een kilo per stuk en je bereidt ze zoals
aardappels (gekookt, gebakken, patat, chips, rösti, enz.); alleen zijn
ze veel lekkerder en een beetje zoetig. JW bakt er ook
broodvruchtenkoekjes van, een soort drie-in-de-pan, tot vreugde van Oma
die ons al echte Surinamers vindt worden.
Mia en Roberto hebben een warung op Domburg en op hun uitnodiging (waar
we die aan te danken hadden is onduidelijk want het is niet zo lang
geleden dat we voor het eerst bij hen aten) gingen we mee met hun gezin
op vakantie naar Galibi. Galibi ligt aan de noordoostkant van Suriname,
net in de monding van de Marowijne. De Indianen die hier wonen zijn van
het type Karin’ha en behoren net als de Trio tot de stam van de Cariben.
Op zaterdagochtend stapten we in hun riante busje volgeladen met tassen,
hangmatten en klamboes, gevulde koelbox en proviand (heel belangrijk in
Suriname), kooktoestel en gasbom. Wij hadden ook wat lekkers bij ons:
een echte Hollandse appeltaart.
We logeerden bij Roberto’s broer Erick en zijn vrouw Mila en zes
kinderen. Erick kwam ons ophalen in Albina en na een boottocht van
anderhalf uur in de brandende zon arriveerden we in Galibi.
Bij aankomst werden we door Mila meteen getrakteerd op het
lievelingskostje van alle Indianen: peperwater met cassavebrood. (Later
kregen we het zelfs een keer bij het ontbijt). De basis van peperwater
is het sap van geperste cassave; gele pepers erin en veel gerookte vis,
een uurtje stoven en klaar is de vissoep. En het is lekker ook!
Galibo heeft een prachtig zandstrand dat uniek is voor Suriname.
Onder de dikke rij kokospalmen kun je lekker luieren in een hangmat. Ook zwemmen is een
genot want het water is behoorlijk helder en niet erg zout.
Galibi is vooral bekend om z’n zeeschildpadden, die “om de hoek” op
Baboensanti hun eieren komen leggen. Het legseizoen is van februari t/m
juli dus we waren te laat om nog schildpadden te zien, maar Roberto
stelde wel met glinsterende ogen voor om een paar nestjes leeg te halen.
Of, zou dit bij ons op morele bezwaren stuiten, een half nestje dan? Het
was natuurlijk een grapje, maar hij bevestigde wel dat de Indianen in
zijn jeugd, voordat natuurbeheerders zich ermee kwamen bemoeien, vele
duizenden eieren exporteerden naar Frans-Guyana.
Natuurbeheerders in de vorm van StiNaSu (Stichting Natuurbehoud
Suriname) en ook diverse touroperators in Paramaribo zijn de
belangrijkste uitbaters van Galibi. Met andere woorden: het
toeristengeld komt niet ten goede aan de plaatselijke bevolking.
Mila en Erick moeten vechten voor hun bestaan want het leven op Galibi
mag dan voor de toeristen paradijselijk zijn, voor de bevolking is het
bepaald geen rozengeur en maneschijn. Mila is niet alleen buitengewoon
hartelijk en gastvrij, maar ook werklustig en samen met haar man
probeert ze een graantje mee te pikken van de toenemende
toeristenindustrie. |
Zo hebben ze drie “kampjes” gebouwd, open
hutjes met een dak van palmbladeren waar toeristen kunnen slapen in een
hangmat. En
er is zelfs een splinternieuw stenen bad- en toiletgebouw, eenvoudig
maar brandschoon.
Erick pikt de gasten op in Albina en Mila ontfermt zich over hen in
Galibi. Niet alleen wat betreft eten en drinken (ze kookt lekker en
gevarieerd) maar ze vindt het belangrijk dat haar gasten zich amuseren.
Mila is half Creools en zit dus een beetje anders in elkaar dan
Indiaanse vrouwen, die een meer afwachtende houding aannemen. En dat is Mila’s grote pluspunt. Ze
wandelt met haar gasten door het dorp en omdat ze al 18 jaar in Galibi
woont weet ze precies waar ze over praat. Ze laat zien hoe cassave wordt
verwerkt, manden gevlochten, katoen gesponnen en tot hangmatten
verwerkt, sieraden, de visvangst , en zelf is ze ook
een meester in vis roken.
Het beleid van Mila is: een goedkopere Galibi-trip aanbieden dan de
gevestigde touroperators en vooral: het leuker maken voor de gasten.
Mila en Erick moeten het hebben van mond-tot-mondreclame, en jullie
voelen ’m al aankomen... wij gaan een beetje helpen door een folder voor
hen te maken waarmee ze meer mensen kunnen trekken. Want zoals gezegd,
uitsluitend afhankelijk zijn van de visserij brengt niet genoeg eten op
tafel.
Tijdens ons verblijf maakten we een praktijkvoorbeeld mee van hoe hard
het leven van een visser kan zijn. Erick zet zijn vis – vers of gerookt
- voornamelijk af in St.Laurent (Frans-Guyana), want daar hebben ze
euro’s en dat verdient leuker dan de Surinaamse SRD. In de week dat wij
er waren had hij een bestelling van 100 kg verse vis. Die vang je niet
in één nacht. Kortom: nachtenlang heeft hij moeite gedaan, ook om de
vissen koel te houden want op Galibi is geen ijsmachine, en dan met de
bestelde partij arriveren bij de opdrachtgever die geen geld bij zich
blijkt te hebben... Hij heeft het zooitje onverrichterzake mee terug
genomen en de vis is intussen verkocht op de zaterdagmarkt voor een
lagere prijs vanwege de concurrentie. Bovendien heeft hij een hoop
brandstof verspild met de partij op en neer varen naar St.Laurent (2x 40
km).
Een van de attracties in Galibi is de kleine dierentuin van Ignacio. Ignacio
was vroeger een groot jager maar is nu “bekeerd” en zelfs vegetariër, en
koestert nu allerlei aaibare beesten die niet de hele dag achter tralies
zitten. Alleen de kaaimannen en de wurgslang zitten in een hok en de
schildpadden en de pingo’s (wilde zwijnen) lopen achter een afrastering (als ze niet met
Ignacio naar het strand zijn) . De apen , de wasbeer, de luiaards, de
miereneter en de ara zijn gewoon los en ze blijven braaf in de buurt. De
kinderen genieten vooral van de apen maar volwassen Surinamers houden
een beetje afstand want ze vinden dieren eigenlijk een beetje vies. Maar
in P vonden de apen natuurlijk een gezellige speelkameraad. Ze waren zo
enthousiast dat het wasbeertje op een gegeven moment jaloers werd
(schijnt vaker voor te komen) en zich opeens met zijn vlijmscherpe
nagels langs P’s benen omhoog klauwde om óók op haar schouder te komen
zitten. Dat leverde een ferme kras in P’s wang op, die door Ignacio op
traditionele wijze werd behandeld met het sap van de bast van de
cashewboom. Geneest wondjes onmiddellijk!
Een ander dier dat veel voorkomt in Galibi is de sika (zandvlo). Deze
legt eitjes onder je huid, en als je die niet gauw weghaalt ontstaat er
een keten van vlooien en eieren die je nooit meer wegkrijgt en het gaat
er afschrikwekkend uitzien. Wij hadden er allebei twee, getver. Gelukkig
was Abigail, de jongste dochter van Mila, een absolute ster in het
verwijderen van deze akelige beesten. |
Achter het dorp ligt een groot bos waar je lekker kunt wandelen in de koelte
van de hoge bomen. Erick wees ons de “kiespijnboom”, die naar de staat van
mishandeling van de bast te oordelen al veel Indianen heeft geholpen met
zijn sap. We dronken fris water uit een zwamp en aangezien een Indiaan
altijd op jacht is en nooit met lege handen uit het bos terugkeert, namen de
mannen op de terugweg een dikke stam op hun schouder ter aanvulling van de
voorraad brandhout. Onmisbaar voor het vis roken!
Het belangrijkste kenmerk van een vakantie met Surinamers is:
gezelligheid onderling, veel kinderen om je heen en lekker eten in de
hoofdrol. Vooral Mia was continu bezig met koken of de voorbereidingen
daarvan. Bijvoorbeeld als we een plan maakten voor een uitstapje, dan
was Mia al hardop aan het denken over de proviandering. Het is
natuurlijk wel handig om met een warunghoudster op vakantie te gaan en
Mia kan namelijk bovengemiddeld lekker koken, maar met een gezelschap
van 16(!) mensen is het een behoorlijke job waar we graag een handje bij
uitstaken.
Mia en Roberto zijn verschrikkelijk aardige mensen en we zijn dikke
vrienden geworden. Roberto houdt van lachen, grappen maken en “tori
praten”. Hij heeft zijn jeugd doorgebracht in Galibi en hij heeft er nog
veel familie, dus de diverse wandelingen door het dorp leverden veel
indrukken op van allerlei mensen bij wie we moesten komen zitten en tori
praten. Ook kwamen we e.e.a. te weten over de taal en waarom de Indianen
blanken niet bakra’s noemen, maar paranakyry. Volgens de legende werden
namelijk de jonge Indiaanse vissers die op de zandbanken gingen vissen,
verleid door paranakyry: geesten uit de zee die zich voordeden als
zeemeerminnen met lange blonde haren. En toen een paar eeuwen geleden de
blanken aan land kwamen, hun haren lang want ze hadden een lange reis achter
de rug, dachten de Indianen dat het de paranakyry waren. En zo worden
blanken nog steeds genoemd in Galibi.
Tijdens onze vakantie was er ook nog een culturele dag georganiseerd. Er
waren voor schoolkinderen uit diverse Indiaanse dorpen in het
Beneden-Marowijnegebied gedurende twee weken creatieve activiteiten zoals
houtsnijden, handwerken, sieraden maken en keramiek. De resultaten waren
allemaal feestelijk tentoongesteld en de dag werd ingeleid met maar liefst
zeven toespraken: juffrouw Nelly, het schoolhoofd, de kapitein, nog twee
kapiteins van andere dorpen, een dame die in de organisatie zat en als klap
op de vuurpijl een antropologe uit Amsterdam die wel even kwam vertellen
waar de inheemsen recht op hebben: onderwijs in hun eigen taal! Wij waren
niet de enigen die het beslist met haar oneens waren. Mila steekt haar
ideeën niet onder stoelen of banken en onder het maken van een luide tjoerie
(wat dat is lezen jullie in de Surinaamse Taalrubriek) ventileerde ze direct
haar mening: “En hoe moet dat dan als de kinderen willen gaan studeren?!”
Alles leuk en aardig en uiteraard moet er in het onderwijsprogramma ruimte
zijn voor onderwijs van de eigen taal en de eigen geschiedenis, maar je
laten leiden door een romantisch gevoel getuigt van kortzichtigheid en daar
zijn de mensen in Galibi niet bepaald mee geholpen.
En dan nu de Surinaamse taalrubriek, deze keer over de tjoerie. De tjoerie is een belangrijk element van de gesproken taal
in Suriname. Het is (overgenomen uit De koningin van Paramaribo van
Clark Accord): “een tjilpend geluid dat gemaakt wordt door de lippen te
stulpen en de lucht naar binnen te zuigen; gebaar van afkeuring”. Het is
ongelooflijk maar het meisje links op
kon het als de beste. |