|
Ja hoor, op punt van vertrek vanuit Bequia
ging de wind natuurlijk gezellig in de oosthoek zitten. Verkeerd voor
ons, want dan ligt Suriname ineens in de wind. Ook jammer voor het
verhoopte rielekste halfwindse rak naar Tobago, het was 70 graden aan de
wind; een koers waarbij Miep als de rook gaat, maar de vele (wind)buien
waren nogal vermoeiend. Ook werden we flink geplaagd door de equatoriale
stroom, waardoor we extra lang konden genieten van een laatste blik op
de Caribische eilanden. Maar na de mooie zonsondergang zagen we helemaal
niets meer want het was zwaar bewolkt en dan zeil je een pikzwart gat
in. Gelukkig hoefden we dankzij Jerommeke op het voordek (onze
fokroller) nu voor het eerst eens niet midden in de nacht voorzeil te
wisselen bij ruim 25 knopen wind. Gedeeltelijk inrollen is niet zo goed
voor het zeil, maar het is wel comfi voor de bemanning!
De verjaardag van P vierden we dus op Tobago. Het meest rielekste eiland
van de hele oostelijke Carieb want nog niet zo opgevreten door het
toerisme. Laid back en easy going zijn sleutelwoorden. De westkant wordt
qua strand behoorlijk uitgebaat maar je kunt er midden tussen de
toeristenbars ook gewoon op een bankje onder een enorme amandelboom
zitten met je van thuis meegebrachte koelbox, terwijl er kippen rond je
voeten scharrelen. En rust vind je er ook want een paar honderd meter
verderop kom je helemaal geen kip meer tegen.
De eetgelegenheden variëren van KFC-achtigen tot posh places. De eerste
categorie laten we sowieso altijd links liggen want we eten nu eenmaal
niet uit een schuimplastic bakje, en in de hoger gekwalificeerde tenten
zat ook al geen kip en (want?) de prijzen waren skyhigh. Dus gezellig
lunchen in Bago’s Beach Bar , waar de sfeer is zoals die op Tobago hoort
te zijn en met uitzicht op Miep.
|
Later ontdekten we een pizzeria (een
echte, dus met houtoven) annex deli en wijnhandel vlak naast de
drive-through van de RBTT-bank. De lokatie wel handig met de geldgleuf
binnen handbereik, want de wijnen waren niet misselijk; maar natuurlijk
niet erg gezellig en vooral belachelijk dat al die ouwe stinkende Nissan
Sunny’s ongeveer over je tafel rijden terwijl je aan zo’n magnifieke
Barolo van 450 eu zit. Maar de pizza’s waren in één woord fantástico.
We bleven een klein weekje op Tobago om het springtij te omzeilen. In
Scarborough naar de botanische tuin waar een kankantri (kapokboom) staat
waarvan de wortels 100 m rondom de stam boven de grond liggen, kan je
nagaan wat er allemaal nog onder de grond zit. Verder een beetje naar
het strand, boekje lezen, zwemmen en mooie koralen vinden zo breekbaar
dat je dan weer blij bent dat onze wegwerpmaatschappij overal van die
lege schuimplastic portiebakjes neerflikkert, want ze zijn een perfect
vervoermiddel voor zo’n tere bloemkool uit zee.
En Bago’s Beach Bar als tijdelijk centrum van het universum. Schatten
van meiden achter de bar en als vaste klanten kregen we zo veel water
van hen als we maar wilden. “As long as you support us, we’ll support
you”, zeiden ze, en we konden ze geen groter plezier doen dan ook bij
hen te eten en dat deden we dan ook regelmatig.
Tobago onderscheidt zich van de andere Caribische eilanden (voor zover
door ons bezocht) in het feit dat afscheid van het eiland vooral
inhoudt: afscheid van de vrienden die we hebben gemaakt. Dat is niet
zozeer onze verdienste maar het karakteriseert de Bago’s, die uitmunten
in vriendelijkheid, gastvrijheid en welgemeende belangstelling voor
andere mensen. |
Ze zijn toeschietelijk en maken graag een
praatje, bekenden reageren enthousiast als je ze elders tegenkomt, op straat
werden we door werkelijk iedereen gegroet, als je op de bus wacht (en dat
kan een langdurige bezigheid zijn!) bieden ze je een lift aan, enz. We
merkten het vorig jaar en ook nu weer. Dit eiland is supercool en al neemt
het toerisme natuurlijk toe, we kunnen ons niet voorstellen dat Tobago ooit
“verpest” wordt want de Bago’s zijn er eenvoudig de mensen niet naar om dat
te laten gebeuren.
Op woensdag 9 april was het springtij (maximale tegenstroom) een beetje
geluwd en lichtten we het anker. Het begon geweldig, de boot liep als een
tierelier want de koers was goed bezeild: 60 graden aan de wind. Maar op dag
2 begon het gedonder: gebrek aan wind dus motor aan. Gelukkig kwam de wind
’s avonds weer terug maar de volgende nacht was het raak: squalls waar 25
tot 30 knopen wind uit kwam. En regen natuurlijk. En bij het aanbreken van
de dag... alweer geen wind! Dus maar weer brommen. Nacht 4 bracht opnieuw
squalls, en die dingen schijnen een voorkeur te hebben voor de wacht van P
die inmiddels helemaal geen droge draad meer aan haar lijf had. De fokroller
deed het overigens fantastisch, die heeft ons diverse (nachtelijke)
zeilwissels bespaard.
Op dag 5 hadden we geen wind tot halverwege de middag. Maar eind goed al
goed, de laatste nacht kon er gewoon worden gezeild (zij het dat het een
strak kruisrak was) en geen bui die ons heeft willen pesten. Ploeterend over
de zandbanken want we wilden het opkomend tij niet missen, voeren we
maandagmorgen na vijf dagen de Surinamerivier op, waarmee we dus toch nog
een dag hebben gewonnen op het diepterecord van vorig jaar. Hèhè. Dat er ook
mensen zijn die dit soort zeiltochten maken voor hun plezier...
onbegrijpelijk. Onze zilvergrijs gebaarde kapitein vond het een verademing
om de Surinamerivier op te zeilen; met een borgoe/lime/ananascocktail in de
hand; vlak water, knik in de schoot, stroom mee… zeilen is leuk! |