|
Inmiddels hebben we
aardig wat contacten hier in Suriname. Eentje daarvan is Reggy, die hier
ongeveer iedereen kent en hij is een echte gangmaker als het om etentjes
en feesten gaat. Hij mixt
geweldige
daiquiries en hij komt dan ook nooit langs zonder lemmetjes
(limoenen).
Reggy is ook dol op gezamenlijke uitstapjes en zo organiseerde hij een
trip naar Sipaliwini, het diepste binnenland van Suriname. Per vliegtuig
van de medische zending dat hij kon regelen via zijn zus Ann die
ontwikkelingswerk doet in het binnenland. Een unieke kans, want boek je
deze 7-daagse trip via een touroperator (ALS het al mogelijk is) dan ben
je al gauw 900 eu pp kwijt. En wij iets meer dan eenderde, en het
grootste voordeel: geen grote groep toeristen om ons heen.
Sipaliwini is het grootste district van Suriname. Het omvat 80% van het
land, ca 73.000 km² en het heeft van alle districten de kleinste
bevolkingsdichtheid: 1 mens per 12,2 vierkante kilometer. De bevolking
is geconcentreerd langs de grote rivieren (in het noordelijke gebied
bosnegers, in het zuiden tot aan de Braziliaanse grens Trio-indianen).
We vlogen eerst naar het dorp Sipaliwini. De naam van het dorp doet
vermoeden dat dit de “hoofdstad” van het district is, maar nee, dat is
Kwamalasamutu. In het dorp Sipaliwini wonen iets meer dan 100
Trio-indianen waarover 1 “kapitein” de leiding heeft. Sipaliwini is een
jong dorp. Er waren nog nooit eerder toeristen geweest! De kapitein
heeft zich als levendoel gesteld zijn dorp op een goede manier tot
ontwikkeling te brengen. Met daarbij in het achterhoofd het slechte
voorbeeld van Kwamalasamutu, waar ruim 800 mensen wonen waardoor het de
regionale “grote stad” is; met de bijbehorende vervuiling, prostitutie-,
drugs- en aidsproblemen.
Maak je zo’n trip met een georganiseerde reis, dan hoef je je nergens
druk om te maken, maar nu moesten we zelf zorgen dat er voldoende eten
en drinken meeging. Per persoon mag je in het vliegtuig 100 kg meenemen,
en dat is inclusief jezelf en de “sociale kilo’s” want als er een vlucht
vertrekt komen er vele Indianen die allemaal wel een pakje willen
meegeven voor hun familie. Op zo’n manier blijft er wel heel weinig
ruimte over voor kleding, hangmatten, voedingsmiddelen en vooral: water.
Gelukkig regelde Ann dat er ca 200 kg aan spullen vooruit werd gestuurd,
en zo konden we uiteindelijk niet alleen water meenemen, maar ook bier,
rum, wijn en zelfs een grote koelbox gevuld met ijs! (Deze ballast zat
tijdens de boottrip wel een beetje in de weg.)
Ann regelde trouwens nog heel wat meer want in Sipaliwini werden we
ceremonieel ontvangen door de kapitein en alle kinderen in traditionele
kostuums. Er werd kassiri geschonken (dat is een cassavedrank waarvan we
al wisten dat we die heel erg vies vonden; op de foto staat het op ons
te wachten in het zuurkoolvat), gezongen en muziek gemaakt
met fluiten gemaakt uit hertenbotten. De kapitein had een vierdelige
bottenfluit, een soort panfluit dus en hij speelde bovendien ook
schildpad waarbij hij zijn hand bewoog over de halsopening van het
(lege) schild en daarbij een ploppend ritmisch geluid produceerde.
Reggy was for the time being benoemd tot assistent-kapitein en droeg ook
zo’n traditioneel indianenkostuum terwijl hij ons ontving met... jullie
raden het al; daiquiries. Toch wel handig, die koelboxen en dat ijs. |
We mochten onze hangmatten ophangen in een
mooi logeergebouw (alweer Ann), gebruik maken van een gemeenschappelijke
kookruimte (een hut waarin een houtvuur wordt gestookt) en de
dorpsdouche. Later in Kwama was het (dankzij Ann, het wordt eentonig)
van hetzelfde laken een pak. JW was meteen de eerste nacht al op zijn
bril gaan liggen dus die lag de volgende morgen in tweeën. Gelukkig gaat
P nooit de jungle in zonder een tubetje superlijm en een stokje als
spalk is gauw gevonden, maar JW zag er de hele week wel een beetje maf
uit.
’s Morgens om 6 uur werden we gewekt door de dorpsomroeper die per
megafoon de werkverdeling voor die dag bekend maakte. Gelukkig kwamen
wij in de werklijst niet voor, maar mochten we een oerwoudwandeling
maken met de kapitein. Aan het einde van de middag zijn de mannen terug
van de jacht en wordt er gezamenlijk eten bereid. De kinderen persen het
suikerriet terwijl de ouderen cassave schillen en
raspen en persen , en de buit
schoonmaken (we zagen bloederige schildpadden, een kaaiman en twee apen,
te akelig voor ons stadsmensen dus hiervan geen foto’s).
Met zo’n klein vliegtuigje is het twee uur vliegen naar Sipa, maar het was drie dagen varen naar Kwama.
In de regentijd zouden we er slechts twee dagen over hebben gedaan, maar
nu, aan het einde van de droge tijd, stond het water extreem laag en
hadden we maar liefst 150 sula’s (stroomversnellingen c.q. kleine
watervallen) te overwinnen. Maar het rivierlandschap is in deze periode
wel beeldschoon, zeer afwisselend met geweldige rotspartijen,
waterplanten en kolkend water.
In het binnenland wordt gevaren met korjalen van circa 12 meter lang en
op het breedste punt 1 meter breed. De bodem bestaat uit één brede plank
die is rondgezet door er een vuurtje in te stoken, en op beide zijkanten
is één gang gezet. We voeren met twee boten
en en dat is wel nodig ook want
er waren een aantal zeer heftige sula’s en hoe meer vaardige handen er
dan zijn, hoe beter. Elke boot wordt bemand door een bootsman , een
kulaman (de man voorop; eigenlijk de belangrijkste figuur want hij
beoordeelt elke situatie in eerste instantie; één foutje en de boot kan
in tweeën breken) , en een derde man voor het hozen en algemeen duw- en
trekwerk. Soms mochten we erin blijven zitten maar we moesten ook vaak
uitstappen en helpen duwen danwel een veilig heenkomen zoeken, al wadend
door de rivier en glibberend over gladde rotsen en waterplanten.
De Indianen loodsten de boten door stroomversnellingen waarvan ons de
haren te berge rezen, en alles even kalm en (besluit)vaardig. Dit is
trouwens een belangrijk gedragskenmerk van de Trio-indianen. Maar wat
een team, die mannen stonden voor niets! In sommige situaties zou je
normaal gesproken denken: “dit lukt nooit”. Maar omdat ons vertrouwen al
snel was gestegen tot het oneindige, dachten we dan: “het zal ons
benieuwen”; bijvoorbeeld bij een waterval van een meter hoog. In dat
soort zware gevallen werd in rustig overleg de tactiek bepaald en
vervolgens lieten ze de boten “gewoon” achteruit zakken door het
kolkende water.
Wij kregen de beste boot toebedeeld. De andere, die doorlopend
leeggehoosd en dus ook gerepareerd moest worden met karton (bij gebrek
aan kit of teer) en beslagen met blik , was voor de kapitein en zijn
aanhang plus twee onderwijzers (tevens boots- en kulaman) die naar Kwama
moesten voor een training. |
Indianen zijn jagers en ze zijn doorlopend
bezig met voedsel te scoren. Op een gegeven moment hadden we een enorme
levende landschildpad aan boord, een (gelukkig dode) kaaiman, twee leguanen
en een hele berg anjoemara’s: knoeperts van vissen en heerlijk van smaak.
Het is tekenend voor de gastvrijheid van deze mensen dat ze ons het
allergrootste exemplaar gaven. En hij werd (net als alle andere maaltijden)
voortreffelijk bereid door onze chef Reggy.
Onderweg werd er ’s middags altijd even gestopt voor een jaag- en lunchpauze
van een Indiaans kwartiertje. Dit is net zoiets als een Surinaams half uur
en dat is equivalent met twee uur Europese tijd. Ook onderweg werd er druk
gevist en als we weer eens op de stenen zaten wisten we nooit of het per
ongeluk of expres was, namelijk om even rustig te kunnen hengelen.
Voor de nacht moesten we twee keer een kamp opzetten. Nou ja, “we”?! Zodra
we ergens afmeerden, sprongen de Indianen direct op de kant om bomen te
kappen en in een uur een tent te bouwen waar we alle hangmatten in konden
ophangen. De vrouwen haalden intussen de eieren uit eventueel aanwezige
schildpaddennesten en sprokkelden hout, en binnen 10 minuten was er vuur om
te koken. Ze waren de hele dag in touw en ook het grootste gedeelte van de
nacht, en hielden de wacht terwijl wij rustig lagen te knorren. Het deed ons
wel beseffen dat we in ons uppie volstrekt hulpeloos zouden zijn in de
jungle, temeer omdat we in die drie dagen dat we onderweg waren, geen mens
zijn tegengekomen.
Elke dag werd er voor het vertrek gebeden en dat was wel nodig ook, want zo
nu en dan hielden we ons hart vast. Een standaard touroperator zou zo’n trip
nooit in z’n programma durven en kunnen opnemen. Wat ons betreft was het een
echte survivaltocht en wij zouden onze boot er nooit aan hebben gewaagd. Kun
je nagaan wat een vriendelijkheid van deze mensen om ons terwille te zijn en
deze boottocht met ons te maken. We hebben hen dan ook uitvoerig bedankt en
het voor ons grootst denkbare compliment gegeven, namelijk dat we Miep wel
aan hen zouden durven toevertrouwen.
In Kwama toonde onze bootsman hoe ze van bladeren en kruiden medicijnen
maken en we kregen een slokje krachtdrank (alsof we er zo slap uitzien!).
Hij liet ons ook de school zien en we zagen met eigen ogen het resultaat van
het gebrek aan leerkrachten in het binnenland: een klas vol kinderen die
braaf in afwachting waren van hun beurt om les te krijgen van de met een
andere klas gedeelde onderwijzer. De markt bestond uit één kraampje en de
koopwaar omvatte niet veel meer dan een paar flessen olie, wat blikjes
sardien, zeep, wasmiddel en twee spijkerbroeken.
Hij hoort erbij: de Surinaamse taalrubriek. Indianen spreken gemiddeld nogal
gebrekkig Nederlands, maar de Chinezen hebben het nog veel zwaarder. Die
kennen (met een beetje geluk) slechts een paar Nederlandse woorden! Als je
een taal zo gebrekkig spreekt, zoek je houvast in de logica, eigen aan de
Chinees. Dit bleek toen P bij onze lieve plaatselijke supermarkt-Chinese
informeerde naar haar man, die zojuist was teruggekomen van twee maanden de
kinderen bezoeken in China. “Wanneer is Cheng teruggekomen? Zaterdag??” Haar
antwoord: “No no, zaternacht.”
Film boottocht (8,22 Mb)
|