|
St.Lucia is niet te missen als je uit het
zuiden komt aan zeilen; de twee Pitons
zijn het nationale handelsmerk en ook het bier is ernaar genoemd. We
gingen voor anker in Marigot Bay en ondergingen
een ware culture shock. De eerste plek in de oostelijke Carieb die wij
tegenkwamen waar de blanke “beschaving” zich al helemaal heeft
genesteld. Marigot Bay is een soort
watersport-zwemparadijs-beautyfarm-pretpark-resort en pleisterplaats van
huurboten. Rond de overigens pittoreske baai hebben zich een keur aan
luxe restaurants geformeerd, luxe villa’s en zelfs een (volgens het
opschrift) gourmet-supermarkt waar ze typisch Caribische dingen verkopen
zoals gerookte zalm, gaffelbitter en Chassagne-Montrachet. De Engelse
zuidkust, overigens natuurlijk schitterend, lijkt ineens angstaanjagend
dichtbij.
Volgens onze informatie is Marigot Bay een van de gemakkelijkste
plaatsen om in te klaren, en dat bleek inderdaad waar te zijn. Maar we
voelden ons er niet zo thuis en daarom zeilden we de volgende dag naar
Castries, de hoofdstad van St.Lucia 3,5 mijl verderop. Eerdere lofzangen
over dat je ALTIJD zo heerlijk kunt zeilen in de luwte van de eilanden
nemen wij terug, want langs St.Lucia is zeilen werkelijk een crime. We
hadden het al gemerkt bij aankomst. De wind wappert alle kanten op, de
windsnelheden variëren van 15 tot 30 knopen en er staat een aardige
chop.
De haven van Castries is eigenlijk bedoeld voor commerciële vaart
en niet zo erg voor jachten. Dit kwam ons goed uit want we waren die
volle baaien en zeurende boatboys wel een beetje zat. Naast de
cruiseschepenterminal is een klein haventje voor locals (visboten en wat
cruisecatamarans) en middenin de vaargeul gingen we voor anker. Krap,
maar het paste en bij navraag bleek niemand te vinden dat we in de weg
lagen. Zeker de ferryschippers niet, want voor hen hadden we tijdens de
overtocht naar het stadscentrum een paar biertjes gekocht.
Castries is een gezellig drukke stad en naast de kerk die niet zo lang
geleden is uitgeroepen tot cathedraal toen de Paus er op bezoek kwam, is
een mooi parkplein met een 400 jaar oude boom erop. Nauwe straten en
veel, vooral heel veel mensen op de been. Op vrijdag is het marktdag en
dan is het nog drukker. Langs de straten en vooral waar cafés zijn (en
dat is overal), staan kraampjes of de verkopers zitten gewoon op straat
met hun waren.
Voor de toeristen is er een enorme
overdekte markt die zelfs op zondag open is als er een cruiseschip is;
afgeladen met souvenirs en ze verkopen allemaal ongeveer hetzelfde:
houtsnijwerk, gevlochten rietwerk, T-shirts, kettinkjes en armbandjes
van schelp en kokosnoot en prullaria zoals koelkastmagneten en
sleutelhangers. |
De Lucians zijn overigens helemaal niet
blij met de “overname” door de whities, want dat zijn de zakken waarin
de grote opbrengsten verdwijnen terwijl het authentieke karakter van
het eiland naar de verdommenis gaat en de locals worden er niet echt
wijzer van. Waarbij ze zelf Marigot Bay het toppunt van ellende vinden.
Overigens schijnt de echte teloorgang hiervan pas van september 2006 te
dateren, dus we waren net te laat om te genieten van het moois.
Over het eiland toeren per openbaar vervoer was op St.Vincent zo’n
succes, dat we de truc op St.Lucia maar hebben herhaald. Overigens met
hetzelfde type buschauffeurs: wegpiraten. St.Lucia is veel minder
grillig dan St.Vincent en ook de wegen zijn beter, zodat ze (indien
mogelijk) nog harder kunnen rijden. Het eiland is voor een groot deel in
cultuur gebracht en bananen zijn het tweede exportproduct. Toerisme is
uiteraard nummer één.
De bus bracht ons eerst dwars door het regenwoud, waar de varens groeien
als bomen; op stam dus. Grappig en mooi. Vervolgens langs de oostkust
naar het zuiden. Onderweg kwamen we langs Hewanorra International
Airport. We vroegen ons af hoe ze aan die naam kwamen en het blijkt dat
Hewanorra de oude Indiaanse naam van het eiland is, “there where the
iguana is found”. We reden door naar Vieux Fort, de tweede stad na
Castries. Helemaal niks aan! Dus gauw weer in een volgend busje gestapt
naar Soufrières, wèl een leuke plaats, genesteld vlak onder de twee
Pitons. Die hadden we natuurlijk al gezien maar het was leuk wandelen
door dit pittoreske dorp. Veel huizen zijn fleurig geschilderd en soms
voorzien van gefiguurzaagde randjes of mooie reclameschilderingen; of
een combinatie van beide. De rit rond het eiland afgemaakt door via de
westkust terug te bussen naar Castries.
Over het algemeen vonden we St.Lucia weinig fraai. Waar St.Vincent
indrukwekkende bergen heeft, diepe dalen en de ene schitterende baai na
de andere, viel St.Lucia eigenlijk een beetje tegen. De baai van
Soufrière is mooi met die twee nadrukkelijk aanwezige puisten, Marigot
hebben we al besproken en verder...
Op naar het noorden dus. Rodney Bay. Dat is
waar de ARC finisht, met enorme marina en bijbehorende neringdrijvers. JW is
hier in 2002 geweest (met de ARC op de Innovision met Henk) maar hij
herkende er helemaal NIETS van! De stranden staan dan ook vol met
gloednieuwe luxueus uitziende bouwsels omgeven door jonge kokospalmpjes en
strandbedden, dus dan weet je wel hoe laat het is en dat dit geen nieuwe
vishallen zijn. Op zaterdagavond leek het hier wel Los Cristianos (Tenerife)
met live bands die in plaats van swingende reggae alleen maar triviale
blanke muziek coverden.Overigens werd er op zondagmiddag heel
verdienstelijk gemusiceerd, vermoedelijk geïnspireerd door het
jazzfestivalletje dat op vrijdag en zaterdag in Soufrière aan de gang was
(Al Jarreau en George Benson, kan het geinlozer?). Maar al met al was het
massatoerisme reden genoeg om ons snel van St.Lucia te distantiëren;
letterlijk. |
De terugreis naar Suriname. Afstand 600 mijl, oostenwind 15-20 kts (meest 20), stroom 1 tot 2 knopen NW en de te zeilen
koers: 155-160°. We wilden beslist niet hoger varen dan 60 graden aan de
schijnbare wind, vanwege comfort maar ook om snelheid te houden, want anders
zou de stroom ons veel te veel wegzetten naar het westen. Volgens Visual
Passage Planner (computer software) leidt de optimale route van St.Lucia
naar Suriname via Tobago, maar vanuit Barbados geven ze aan dat je
rechtstreeks moet varen.
Het begon alweer goed want toen we de motor wilden starten om anker op te
gaan, zei die: “Klik.” JW zei iets heel anders en dat kwam vanuit zijn
tenen. Elektrisch probleem in het circuit van de startmotor. De elektriciën
kwam, zag en overwon het euvel binnen twee seconden dus uiteindelijk viel
het allemaal verschrikkelijk mee.
Met de wind zat het ernstiger tegen, continu E-SE 20 kts, beetje
verkeerde richting dus en ook een beetje veel en met een zee van 8 voet.
Daarom zijn we eerst 70 mijl naar het zuiden gegaan terug naar Bequia,
want daar is het veel leuker toeven dan op St.Lucia.
De wind verbeterde niet, dus volgende stop: Tobago. Normaal gesproken waait
in die hoek de wind uit een richting iets noordelijker van oost, en dat
moest dan maar ons thuisbrengertje worden. We zijn 2x uit Bequia vertrokken
naar Tobago; de eerste keer na 5 mijl weer teruggevaren want de windrichting
was niet gunstig genoeg. De tweede keer hadden we meer geluk en zeilden we
de afstand van 110 mijl plus 60 mijl tegenstroom in 28 uur.
We bleven een paar dagen
op Tobago hangen om uit te rusten en op een nieuw “weatherwindow” te wachten. Immigrations in
Charlotteville was tijdelijk buiten werking dus moesten we naar Scarborough.
Helemaal geen straf, deze hernieuwde kennismaking met dit prachtige eiland,
dat met stip is gestegen in onze top 3. We wilden ook diezelfde dag weer
uitklaren om ons de volgende dag een tweede busrit te besparen (die bus is een
heel gedoe) maar dat was bureaucratisch gezien onmogelijk. Zodoende kwam er
de volgende dag een Immigrations-officer speciaal voor ons naar
Charlotteville. Over bureaucratie gesproken...
De tweede etappe. Van de rastaboys kregen we bananen, mango’s en een
papaja voor onderweg en JW had twee maaltijden voorbereid om niet te
veel in de hitte in het kombuis te hoeven staan.
De tocht was zwaar door wisselende winden uit de verkeerde richting met
bijbehorende zeilwissels (we weten nu dat mei niet de beste maand is om
de terugtocht te ondernemen), en al die tegenstroom waardoor het
allemaal veel langer duurt. In het kort: we hebben 6 dagen gezeild over het traject van 450 mijl dat we
op de heenweg in 2,7 dagen hebben gecoverd. Met een gemiddelde
tegenstroom van 2 knopen (en dat is beslist niet overdreven) komen we
uit op een extra gezeilde afstand van 300 mijl. Daar word je niet
vrolijk van.
Lees de Scheepsberichten voor alle zeiltechnische details.
Nog geen genoeg ervan? Bekijk de film! (8,58 Mb)
|