|
Om lijf en leden een beetje soepel te
houden en ook om een beetje verkoeling te zoeken nu de grote regentijd
langzamerhand voorbij is en het kwik hier begint op te lopen tot 37°C,
zwemmen we regelmatig in het zwembad van Gerben in het naburige dorp.
FOTO
1
Samen met zijn broer Murk is hij eigenaar van het in Domburg gevestigde
visserijbedrijf dat ook onze moorings faciliteert. Soms doen ze ook
klussen voor de zeilers (ongeveer gratis); zo heeft de voorman laatst
een prachtige wartel met twee kogellagerbussen voor ons gedraaid en in
elkaar gelast, waarop de windgenerator nu lustig ronddraait.
Voor Suriname krijg je als toerist een verblijfsvergunning voor maximaal
een half jaar. Daarna moet je eventjes weg. Onze vergunning zou begin
augustus verlopen, dus we togen naar Saint Laurent du Maroni in
Frans-Guyana. Van tevoren een nieuw visum aanvragen (anders kom je er
niet meer in), uitstempelen in Albina, met een bootje
FOTO
2
de Marowijne over
FOTO
3
en in- en weer uitklaren in Saint Laurent du Maroni.
Je kunt per staatsbus naar Albina 4 uur hobbelen over de slechte
asfaltweg (150 km) voor 2 euro pp, maar we kregen een verleidelijk
aanbod van een taxichaufeur en zo stoven we in een dikke Toyota met
120-130 km/uur voor 9 euro pp in anderhalf uur naar Albina. Aan het eind
van het traject zijn delen van het asfalt vernield door plunderende
boslandcreolen. Passerende auto’s moeten op die plekken namelijk extra
langzaam rijden vanwege de speciaal gecreëerde hobbels en kuilen, en
vormen een gemakkelijk doelwit voor overvallers. De laatste overval was
ongeveer 10 jaar geleden dus het valt allemaal wel mee.
Albina was vroeger een mooie badplaats waar de rijken zich kwamen
ontspannen. Nu is daar niets meer van te zien: het is totaal verwoest
tijdens de Binnenlandse Oorlog in de jaren ’80 en in bezit genomen door
boslandcreolen. Die nemen het niet zo nauw en op straat is het een
enorme rotzooi. Jammer, want voor ons is Albina een beetje speciaal: het
is de geboorteplaats van JW’s moeder. |
Frans-Guyana is net als Suriname een
multiculturele samenleving met Creolen, Fransen, Chinezen, een paar
Javanen (import uit Suriname) en natuurlijk de inheemse bevolking:
Indianen. Maar het is ook echt een deel van
Frankrijk compleet met kaas, wijn en stokbrood. Deze artikelen worden
heel exotisch verkocht in de vele supermarktjes die – net als in
Suriname – in Chinese handen zijn.
St. Laurent wordt “Petit Paris” genoemd en we begrepen wel waarom: het
is een mooie stad, met veel elegante overheidsgebouwen in
Frans-koloniale stijl en blinkende Peugeots en Renaults partout.
FOTO
4
In Frans-Guyana valt direct op dat alles opgeruimd en schoon is, in
tegenstelling tot Suriname waar je struikelt over de lege PET-flessen.
Het enige waar we aan moesten wennen was dat het verkeer rechts houdt,
maar de Frans-Guyanezen zijn gelukkig heer in het verkeer.
Frans-Guyana is door de financiële inbreng van de Franse overheid veel
rijker dan Suriname. Het betaalmiddel is de euro en de prijzen liggen
veel hoger dan in Suriname (maar zijn gelukkig nog niet op Europees
niveau). We kregen helemaal een vakantiegevoel toen we met een lunch van
stokbrood, Franse kaas, Perrier en een heerlijke St. Emilion naar ons
hotel togen. Dat was ook al echt Frans aangekleed met lakens en
kussenslopen voorzien van stroken broderie. En... airco en warm water!
We hebben allebei wel 5x gedoucht, wat een verwennerij.
St. Laurent is ontstaan als facilitair dorp rond de voormalige
strafgevangenis, het Camp de la Transportation, dat tot de verbeelding
spreekt als je “Papillon” (Henri Charrière) hebt gelezen of de film hebt
gezien.
FOTO
5
Vanuit dit bagno heeft Papillon verschillende keren geprobeerd te
ontsnappen en als je er rondloopt snap je wel waarom iemand grote
risico’s nam om er weg te komen. De gedetineerden waren opgesloten onder
erbarmelijke omstandigheden.
FOTO
6 ,
6A
en
7A |
Honderd man in een hok van 10x5m was
doodgewoon. ’s Nachts werden ze aan de enkels geketend en sliepen ze met 50
man op 1 brits (twee britsen per hok); het zal niemand verbazen dat
besmettelijke ziekten resulteerden in een hoog sterftecijfer. Nu waren het
natuurlijk geen lieverdjes die naar Frans-Guyana werden verbannen, maar
toch.
Het Camp de la Transportation functioneerde van 1852 tot 1946 en werd
voornamelijk bevolkt door dwangarbeiders (de zwaarst gestraften), in totaal
zo’n 55.000 man. Verder waren er degenen die hun straf hadden uitgezeten
maar verplicht waren nog eens hetzelfde aantal jaren in de strafkolonie te
blijven (werkend onder toezicht); plus zo’n 18.000 bannelingen en dan nog
een honderdtal politieke gevangenen. Het Camp de la Transportation fungeerde
voor de eerste en de laatste groep vaak als tussenstation want de ergste
misdadigers (zoals Papillon) werden doorgestuurd naar o.a. Duivelseiland.
Toen het kamp was gesloten, werd het geplunderd door boslandcreolen die er
hun intrek namen. In 1990 is een deel gerestaureerd en in 1994 werd het
geclassificeerd als historisch monument. Een gedenkteken van hoe onmenselijk
mensen kunnen zijn; of Frankrijk er echt trots op is?
Waar ze in elk geval trots op mogen zijn is hun keuken. We waren al helemaal
vergeten dat er zoiets bestond als salade met warme geitenkaas en honing, en
crème brûlée. En de uit buurland Italië geleende pizza was ook een geslaagde
traktatie na twee jaar ontberingen. En oh la la het ontbijt: croissants met
boter en confiture!
We hebben erg genoten in Frans-Guyana en het was jammer dat we maar twee
dagen hadden (je moet dat van tevoren vastleggen i.v.m. de visa). Dus helaas
moesten we veel te snel weer terug naar Albina - na de noodzakelijke
stempels te hebben bemachtigd, plus een tas vol voor Europeanen dagelijkse
boodschappen zoals mosterd, kappertjes, zwarte olijven, espresso,
grenadinesiroop en pesto.
|